Ze liep de weg naar zee.
Dat deed ze elke dag.
Maar waarom was zij hier?
Haar man ging toch altijd mee?
Samen naar het strand.
En kijkend naar de golven,
Genietend van de zon,
Liepen we hand in hand.
Waar is hij nou…?
Oh ja, ik weet het weer.
Hij ging op reis
En zei: “ik hou van jou”.
Waar ging hij dan naar toe?
Ik vergeet zoveel.
Ik ga maar weer naar huis.
Voel me ineens zo moe.
Ze kijkt nog even naar de zee.
Voelt dan een warme gloed.
Achter de wolken in de zon,
Ziet ze hem, héél tevree.
Ik ben nu alleen,
Ik weet weer.
En de wandelingen met hem.
Houden mij nu op de been.